Opgelegde plegersboete aan belastingadviseur vernietigd wegens onvoldoende bewijs opzet of grove schuld.

De Rechtbank Den Haag heeft in een uitspraak van 22 juni jl. geoordeeld dat de inspecteur niet heeft bewezen dat een belastingadviseur opzettelijk een onjuiste overlijdensaangifte inkomstenbelasting van één van zijn cliënten heeft ingediend.
De feiten in deze zaak zijn uitermate opmerkelijk. Belanghebbende was van 1979 tot 1 april 2007 partner van een belastingadvieskantoor. Na zijn uittreden heeft belanghebbende tot eind 2015 de beschikking gehad over een eigen kantoorruimte bij het belastingadvieskantoor van waaruit hij werkzaamheden voor aantal eigen klanten verrichtte.
Belanghebbende was als belastingadviseur, bewindvoerder en executeur testamentair betrokken bij de afwikkeling van een nalatenschap. Eén van zijn cliënten (hierna: vader) is in 1995 overleden. Bij testament heeft de vader zijn dochter tot zijn enige erfgename benoemd en haar via een fideï commis de residuo de last opgelegd om hetgeen zij van zijn nalatenschap onvervreemd en onverteerd zou nalaten (het fideï-commissair vermogen) aan het Nationaal Reumafonds, het Nederlands Kankerinstituut en het Leger des Heils (de verwachters) als verwachters uit te keren. Belanghebbende is als bewindvoerder en als executeur-testamentair benoemd. Tot de nalatenschap van de vader behoorde alle aandelen van een Beheer B.V. (de moedervennootschap) die op haar beurt enig aandeelhouder was een Onroerend Goed B.V. (de dochtervennootschap). De dochtervennootschap heeft verschillende onroerende zaken (deels verhuurde woningen en deels bedrijfspanden) in eigendom. De dochter is op 15 augustus 2014 overleden en had in haar testament belanghebbende eveneens als executeur-testamentair benoemd. Blijkens een in 2014 uitgevoerde taxatie bedroeg de totale waarde van de onroerend goed portefeuille van de dochtervennootschap € 8.835.000.
Op 5 december 2014 heeft belanghebbende in zijn hoedanigheid als bestuurder van zijn eigen personal holding (de persoonlijke houdstervennootschap) en als bestuurder van de moeder- en de dochtervennootschap een koopovereenkomst ondertekend waarin de aandelen in de dochtervennootschap verkocht werden aan de persoonlijke houdstervennootschap. De aandelen van de dochtervennootschap werden op 16 april 2015 juridisch geleverd aan de persoonlijke houdstervennootschap van belanghebbende geleverd tegen een koopsom van € 3.696.043 ofwel ruim € 5.000.000 lager dan de taxatiewaarde. In mei 2015 wordt een deel van de onroerende zaken van de dochtervennootschap afgesplitst aan een door belanghebbende opgerichte vennootschap waarvan de aandelen op 17 juli 2015 aan een derde wordt verkocht voor € 3.465.000.
Op 6 mei 2015 heeft belanghebbende onder de vlag van het belastingadvieskantoor namens de erven van de dochter de overlijdensaangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2014 (de overlijdensaangifte) ingediend. In de overlijdensaangifte heeft belanghebbende onder meer een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 3.570.187 aangegeven.
In januari 2016 heeft de ex-compagnon van belanghebbende een melding bij de FIU gedaan wegens mogelijke fraude door belanghebbende. Hierop heeft de Belastingdienst een onderzoek ingesteld. Dit heeft er toe geleid dat de inspecteur op 4 oktober 2017 aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is om aan de erven van de dochter een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 ten bedrage van € 353.526 op te leggen in verband met een te laag aangegeven belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en dat hij de mogelijkheid onderzoekt om aan eiser een vergrijpboete van € 353.526 als bedoeld in artikel 67o van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) juncto artikel 67e van de Awr op te leggen. De inspecteur heeft op 3 oktober 2018 – na toestemming van de betreffende segmentsdirecteur van de Belastingdienst en het Directoraat-Generaal Belastingdienst – belanghebbende in kennis gesteld dat hem op grond van artikel 67o, eerste lid, onderdeel a, van de Awr juncto artikel 67e, eerste lid, van de Awr een vergrijpboete van 100% zal worden opgelegd voor het in zijn hoedanigheid van belastingadviseur dan wel executeur-testamentair doen plegen van het doen van een onjuiste overlijdensaangifte ten name van de erven van de dochter. De inspecteur heeft vervolgens bij beschikking van 30 november 2018 de aangezegde vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur niet in zijn bewijslast geslaagd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het betoog van inspecteur met name ziet op het in zijn visie laakbaar handelen van belanghebbende ter zake van de verkoop van de aandelen in de dochtervennootschap, de verkoop van de onroerendgoedportefeuille en de wijze waarop belanghebbende na de FIU melding door zijn ex-compagnon aan “damagecontrol” heeft gedaan. Hiermee is, wat ook van het handelen van belanghebbende op dit punt zij, niet aannemelijk geworden dat belanghebbende wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat een te lage overlijdensaangifte werd gedaan. De inspecteur heeft onvoldoende onderbouwd waarom belanghebbende als belastingadviseur dan wel als executeur-testamentair had moeten weten dat hij voor de waardering van de aandelen in de moedervennootschap in de overlijdensaangifte niet van de waarde van die aandelen in de aangifte erfbelasting had mogen uitgaan. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende als ervaren belastingadviseur had moeten weten dat die aandelen voor de heffing van inkomstenbelasting op de waarde in het economische verkeer hadden moeten worden gewaardeerd dan wel dat hij zich deze kennis eigen had moeten maken, acht de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door belanghebbende, niet toereikend om tot het oordeel te komen dat belanghebbende had moeten weten dat bij de overlijdensaangifte een onjuiste waarde werd opgegeven.

http://ECLI:NL:RBDHA:2021:9236

Share on facebook
Facebook 0
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn 0

PE-punten of PE-uren behalen?

ProceD geeft studiebijeenkomsten, incompany training en vaktechnisch overleg.


Lees verder »

Actualiteiten

publicaties

uitspraken

laatste tweets @proced_nl

Het volledige controledossier van de fiscus, inclusief interne correspondentie en interne memo's, behoren tot de zaakstukken. https://t.co/40vfF75OaZ

Witwascontroles in Amsterdamse P.C. Hooftstraat https://t.co/qiB3rde806

De vaste reiskostenvergoeding vervalt per 1 oktober 2021 https://t.co/3sD7ErS0UH

Opschonen van bijzondere belastingregels laat op zich wachten. https://t.co/FK2qA8BXls

Nog veel fiscale hobbels voor vergoeding thuiswerken https://t.co/McOWfGQQsj